Wanneer had het veiliger gekund? De zorgplicht van de werkgever bij arbeidsmiddelen in het magazijn

0%
Wanneer had het veiliger gekund? De zorgplicht van de werkgever bij arbeidsmiddelen in het magazijn

Een val van twee meter die niet nodig was

Op 28 november 2022 valt een productiemedewerker tussen de één en twee meter naar beneden uit een orderpicker, in een magazijn waar bestellingen binnen zeer korte tijd verzendklaar worden gemaakt. Hij denkt dat hij op de grond staat en stapt uit — maar het veiligheidshekje van de grote orderpicker kan, anders dan bij de kleine, ook op hoogte openen.

  • Zelfs zijn teamleider ging er tot het ongeval van uit dat het hekje van de grote orderpicker op hoogte niet open kon (r.o. 4.13). Het specifieke gevaar was dus niet vooraf bij de leiding bekend.
  • Op de grote orderpicker kon wél een blokkeerfunctie worden aangebracht, vergelijkbaar met die op de kleine picker. De werkgever had daarvan bewust afgezien — dit is de situatie zoals die vóór het ongeval bestond — met als argument dat dit nieuwe risico's zou creëren bij calamiteiten of brand (r.o. 4.11).
  • Uit het onderzoeksrapport bleek verder dat de werkgever de leverancier had verzocht een nieuwe functie toe te voegen (r.o. 4.12); de uitspraak vermeldt niet op welk moment dat verzoek is gedaan.

De kantonrechter oordeelt op grond hiervan tot aansprakelijkheid: een gelijkwaardige veiligheidsvoorziening was al elders in de eigen vloot aanwezig, en het tegenargument van de werkgever hield inhoudelijk geen stand (r.o. 4.15). De zorgplicht wordt hier geschonden op grond van de objectieve beschikbaarheid van een veiliger alternatief, niet op grond van voorkennis van dit specifieke ongevalsscenario.

De regel uit Bayar/Wijnen

De rechtbank baseert dit oordeel op HR 11 november 2005, ECLI:NL:HR:2005:AU3313 (Bayar/Wijnen, NJ 2008/460 m.nt. W.H. van Boom), waarin een productiemedewerker bij een vleesgroothandel drie vingertoppen verloor aan een inpakmachine.

  • Wanneer na een ongeval vaststaat dat een veiliger alternatief voorhanden was, en het gebruik daarvan al vóór het ongeval van de werkgever gevergd had kunnen worden, staat schending van de zorgplicht (art. 7:658 lid 1 BW) in beginsel vast.
  • Voorzienbaarheid van het exacte ongevalsscenario is daarbij niet doorslaggevend. Van de werkgever wordt verwacht dat hij onderzoekt of een veiligere werking van het arbeidsmiddel mogelijk is, ook als hij het specifieke gedrag dat tot het ongeval leidde niet had voorzien.

Wat betekent "redelijkerwijs te vergen"?

De zorgplicht van artikel 7:658 lid 1 BW biedt geen absolute waarborg (HR 5 december 2014, ECLI:NL:HR:2014:3519, Pelowski/Vernooy). De werkgever moet doen wat redelijkerwijs nodig is — niet wat technisch maximaal haalbaar is, en zeker niet wat elders op de markt inmiddels verkrijgbaar is. Eén nieuw model bij een fabrikant schept op zichzelf geen plicht om de hele vloot te vervangen.

Deze toets sluit aan bij het algemene beginsel van artikel 3, lid 1, onder b van de Arbowet: gevaren moeten zoveel mogelijk bij de bron worden aangepakt, en pas als dat niet mogelijk is, komen technische, organisatorische en uiteindelijk persoonlijke maatregelen (instructie, PBM) aan de orde — de zogeheten arbeidshygiënische strategie of STOP-strategie:

  1. Bronmaatregelen
  2. Technische/collectieve maatregelen
  3. Organisatorische maatregelen
  4. Instructie en persoonlijke beschermingsmiddelen (PBM) — als laatste stap

Dit beginsel is in het Arbobesluit per risicocategorie afzonderlijk uitgewerkt; voor blootstelling aan gevaarlijke stoffen bijvoorbeeld in artikel 4.4. Voor arbeidsmiddelen is de relevante uitwerking te vinden in Hoofdstuk 7 van het Arbobesluit ("Arbeidsmiddelen en specifieke werkzaamheden"), zonder dat daar een even expliciet genummerd stappenplan geldt als voor gevaarlijke stoffen. De onderliggende logica is echter dezelfde, en de Hoge Raad past die logica in Bayar/Wijnen toe binnen het privaatrecht: eerst moet de werkgever onderzoeken of een afdoende technische maatregel of een veiliger werking van het arbeidsmiddel mogelijk is, en alleen als dat niet zo is, komt de vraag aan de orde of voldoende effectief kan worden gewaarschuwd. Waarschuwen terwijl een technische maatregel beschikbaar was, is civielrechtelijk onvoldoende om aan de zorgplicht te voldoen. Dat is precies waarom een waarschuwingsbord in de orderpicker-zaak niet volstond.

Of een maatregel redelijkerwijs kon worden gevergd, hangt verder af van:

  • Aard van het werk en kenbaarheid van het gevaar — hoe gevaarlijker en bekender, hoe hoger de eisen.
  • Kans en ernst — hoe waarschijnlijker het ongeval en hoe ernstiger de gevolgen, hoe meer van de werkgever verlangd wordt.
  • Bezwaarlijkheid van de maatregel — financieel, technisch, organisatorisch. Dit is vaak het beslissende punt. Een fabrikant die ergens een veiliger model verkoopt, is iets anders dan de werkgever die de voorziening al zelf in huis heeft: in dat laatste geval valt het verweer "niet haalbaar" weg, zoals in de orderpicker-zaak. Bestaat het alternatief alleen op de markt, dan is een redelijke overgangstermijn toegestaan.
  • Het "ervaringsfeit" van onoplettendheid — dagelijkse omgang met een arbeidsmiddel leidt volgens vaste rechtspraak tot minder oplettendheid, ook na instructie.
  • Achteraf getroffen maatregelen — een veiligheidsvoorziening die na een ongeval wordt aangebracht, roept de vraag op waarom dat niet al eerder kon.

Arbeidsmiddelen in het magazijn

Dezelfde weging speelt bij vrijwel elk arbeidsmiddel in een magazijn — stellingen incluis, want ook die zijn een arbeidsmiddel in de zin van artikel 7:658 BW.

  • Heftrucks en reachtrucks — camera's, Bluespot-verlichting of een snelheidsbegrenzer die elders in de vloot al standaard is.
  • Palletwagens en pompwagens — beknelling en het ontbreken van rem- of borgingsvoorzieningen.
  • Laadbruggen en dockshelters — een mechanische borging in plaats van uitsluitend een waarschuwingssticker.
  • Ladders, trappen en (rol)steigers — was het gekozen middel geschikt voor de aard van het werk, of was een steiger als veiliger alternatief te vergen?
  • Doorvalbeveiliging van stellingen (gaasroosters, gaaswanden, netten) — NEN-EN 15629, hoofdstuk 8.2, schrijft voor dat bij risico op vallende goederen effectieve preventieve maatregelen worden vastgesteld. Dit is een directe analogie op de Bayar/Wijnen-toets, maar geen bestaand precedent: voor zover bekend is er geen gepubliceerde 7:658-uitspraak die dit letterlijk op een gaasrooster toepast.
  • Aanrijdbeveiliging van stellingen (kolom- en hoekbeschermers) — hier ligt het anders: NEN-EN 15512 en NEN 5056 schrijven direct voor dat bij gebruik van hefvoertuigen adequate aanrijdbeveiliging aanwezig moet zijn op de hoeken van stellinggangen. Dit is geen analogie maar een concrete normatieve verplichting.

Rack.Parts: bij aanrijdbeveiliging is de discussie dus niet "was dit redelijkerwijs te vergen" maar simpelweg "is aan de norm voldaan". Bij doorvalbeveiliging blijft het een weging binnen de open norm van NEN-EN 15629.

RI&E en periodieke inspectie

Leg vast waarom voor een bepaald arbeidsmiddel of een bepaalde veiligheidsvoorziening is gekozen, en waarom alternatieven zijn afgewogen — bij voorkeur conform het Arbowet-beginsel: eerst bron en techniek, pas daarna instructie. De RI&E en het bijbehorende plan van aanpak zijn daarvoor het aangewezen instrument.

Wanneer een NEN-EN 15635-inspectie een gebrek aan doorvalbeveiliging of aanrijdbeveiliging signaleert, is dat niet alleen een technische bevinding — het is ook het moment waarop de vraag "was een veiliger alternatief beschikbaar en redelijkerwijs te vergen" juridisch relevant wordt, mocht zich later een ongeval voordoen. Een onderbouwde afweging, vóór het ongeval vastgelegd, is de beste bescherming tegen precies het verwijt dat in de orderpicker-zaak de doorslag gaf.

Następne Medewerker overlijdt door omvallende pallet - Rechter ziet 6 oorzaken
0 Komentarz(y)
To Top